Object in de kijker: plunjezak en panger

Een jonge Marc Dezutter, klaar voor een zeereis en uitgerust met ‘plunjezak’ en ‘panger’ (Fotocollectie NAVIGO-museum).

 

Met plunjezak…

Gepakt en gezakt. Zo zouden onwetende landrotten de jongeling op de foto wel eens durven beschrijven. Maar een visser, die weet beter. Niet gepakt en gezakt, maar wel beladen met ‘plunjezak’ en ‘panger’ is hier een juistere beschrijving. Twee noodzakelijke attributen voor elke visser die voor langere tijd de golven moest trotseren. Als eerste springt de goed gevulde ‘plunjezak’ van Marc Dezutter, de jongeman in kwestie, in het oog. De op zijn buik gebonden zak, die traditioneel uit zeildoek of stof vervaardigd werd, bevatte de propere kleren die hij nodig zou hebben tijdens de trip. Naast vers ondergoed waren onder andere een kiel (ook wel ‘schabbe’ of ‘kazuifel’), oliegoed, visserssokken, laarzen en een visserssjaal (of foulard) onmisbaar op zee. Afhankelijk van de kustplaats, werd naast een ‘plunjezak’ ook gesproken over een ‘pluizak’, ‘plooizak’ of ‘matrozezak’.

… en panger

Op zijn rug droeg Marc Dezutter dat andere onmisbare accessoire voor een visser die een zeereis aanvatte: een ‘panger’. Of is het nu ‘paander’, ‘pander’, ‘panjer’ of ‘pangel’? De synoniemen zijn talrijk en verschillen van streek tot streek, maar stammen allemaal af van het Latijnse ‘panarium’, dat broodmand betekent. Binnen de visserij verwijst het woord naar de ronde of ovalen mand met 2 deksels en een hengsel waarin de vissers hun persoonlijke mondvoorraad meenamen en bewaarden op het schip. In vroege tijden werd deze ‘panger’ gevlochten met jonge wilgentakken, maar in de loop van de 20ste eeuw  werd de houten versie vervangen door een metalen, verzinkte emmer zoals het voorbeeld op de foto. De grootte én de inhoud van een ‘panger’ varieerde van visser tot visser en naargelang de duur van de tocht, maar onder andere hompen kaas, vleeswaren, boter, suiker, eieren, brood, chocolade, thee en koffie behoorden tot de etenswaren die vaak in de ‘panger’ mee aan boord gebracht werden. Op de terugreis werd de lege trommel opnieuw gevuld, ditmaal met dat gedeelte van de vangst waar de visser, naast zijn loon, recht op had. Deze zogenaamde ‘deelvis’ werd naar analogie met de container waarin het vervoerd werd ook ‘panger’ (of één van de andere synoniemen) genoemd. De deelvis kon door de visser en zijn familie zelf genuttigd worden, maar heel vaak werd het (deels) verkocht aan buren, familie of vrienden. Met het zakgeld van deze transacties trokken de vissers vervolgens graag richting café, om daar met een biertje te klinken op een goede afloop van de vaart.

Bronnen

  • Desnerck, R. (2006). Oostends woordenboek. Vierde verbeterde en vermeerderde druk. Roland Desnerck: De Haan. ISBN 9-080-90425-2. 568 pp.
  • de Spot, E.M.A. (1942). Vlaamsche zeevisschers: novellen en schetsen over visscherij, zee en duin. Zonnewende: Kortrijk. 218 pp
  • Meersch, E., Een woordje over het kustdialect, in: Het Nieuw Visserijblad, 1 december 1950, pagina 4.
  • Van Daele, S. (2004). Oostendse culinaire gastronomie (deel 2). De Plate 33(2): 48-49
  • Vandenberghe, R.; De Tier, V.; Devos, M.; Ryckeboer, H.; Van Keymeulen, J. (2000). Woordenboek van de Vlaamse dialecten: II. Niet-agrarische vaktalen, aflevering 7. De zeevisser. Vakgroep Nederlandse Taalkunde, Universiteit Gent: Gent. ISBN 90-74273-14-9. LXXI, 815 pp.
  • Wouters, J. (1961). De visser op zee: Een sociaal onderzoek te Oostende. Stedelijk Instituut voor Sociale Studie: Gent. 190 pp.